29 juli 2026

Van doorbraak tot mokerslag

Halverwege MotoGP 2026 – Deel 3: winnaars, verliezers en pechvogels

De eerste helft van het MotoGP-seizoen 2026 zit erop. Na elf van de 22 Grands Prix is het tijd om de balans op te maken. In deel 1 van ons drieluik stond de titelstrijd centraal, waarna we in deel 2 de fabrikanten onder de loep namen. In dit derde en laatste deel is het tijd voor de revelatie, beste rookie, grootste tegenvaller, pechvogels en het meest bizarre moment.

Het rapport na elf Grands Prix

Met vijf titelkandidaten binnen 24 punten en slechts elf punten verschil tussen Aprilia en Ducati bood de eerste helft van 2026 meer dan genoeg spektakel. Achter de strijd om de wereldtitel speelden zich minstens zo interessante verhalen af.

Ai Ogura groeide onverwacht uit tot titelkandidaat, Diogo Moreira ontpopte zich tot de beste rookie en Pecco Bagnaia beleefde een eerste seizoenshelft om snel te vergeten. Álex Márquez en Johann Zarco zagen veelbelovende campagnes door zware blessures ontsporen, terwijl Marc Márquez in Jerez op een vrijwel onmogelijke manier een Sprint wist te winnen.

1. Grootste revelatie – Ai Ogura

Voorspellen dat Jorge Martín halverwege het kampioenschap zou leiden, was al een flinke gok. Dat Ai Ogura na elf Grands Prix tweede zou staan, lag nog veel minder voor de hand. De Japanner begon pas aan zijn tweede seizoen in de MotoGP, maar staat met 194 punten slechts veertien punten achter de leider.

Ogura kreeg al snel de bijnaam ‘bandenfluisteraar’. Hij weet zijn banden zo goed te managen dat hij in de slotfase van de race steevast tot de snelste coureurs op de baan behoort. Zijn grootste zwakke punt lag aanvankelijk bij de time-attack. In de Practice en kwalificatie begon hij vaak te ver naar achteren, waardoor hij in de openingsfase te veel tijd verloor.

Zelfs toen was zijn potentieel al zichtbaar. In Austin leek Ogura op weg naar het podium, totdat technisch malheur hem uit de wedstrijd haalde. In Le Mans volgde alsnog zijn eerste podium van het seizoen. Vanaf dat moment begon hij ook op zaterdag steeds beter voor de dag te komen.

De definitieve omslag kwam in Brno. Ogura reed naar zijn eerste MotoGP-poleposition, verbeterde het ronderecord en finishte zondag als tweede achter Marc Márquez. Een week later won hij in Assen zijn eerste Grand Prix. Daarmee werd hij de eerste Japanse winnaar in de koningsklasse sinds Makoto Tamada in 2004. Op de Sachsenring volgde opnieuw een tweede plaats.

In de laatste vier weekenden voor de zomerstop verzamelde Ogura 102 punten. Alleen Márquez deed het met 119 punten beter. Waar Ogura aan het begin van het seizoen vooral opviel door zijn bandenmanagement, beschikt hij inmiddels ook over de kwalificatiesnelheid om vanaf de eerste ronde voor het podium te vechten.

Dat Yamaha hem voor 2027 en 2028 naast Martín heeft vastgelegd, onderstreept hoe hoog zijn marktwaarde inmiddels is. Ogura begon het seizoen als interessante outsider en gaat de zomerstop in als volwaardige titelkandidaat. Geen enkele coureur heeft de verwachtingen zo overtuigend overtroffen.

2. Beste rookie – Diogo Moreira

Over de beste rookie bestaat halverwege weinig discussie. Diogo Moreira heeft 48 punten verzameld, tegenover twaalf voor mede-rookie Toprak Razgatlioglu. Dat verschil zegt niet alles – de Turk moet niet alleen wennen aan de MotoGP, maar ook aan een weinig competitieve Yamaha – maar de prestaties van Moreira spreken voor zich.

De regerend Moto2-wereldkampioen stapte zonder al te grote verwachtingen op de Honda van LCR. De RC213V is nog altijd geen eenvoudige motor en met Johann Zarco, Luca Marini en Joan Mir beschikt Honda over drie ervaren referenties. Toch liet Moreira zich vanaf het begin niet intimideren.

Zijn beste weekend beleefde hij in Hongarije. Moreira kwalificeerde zich rechtstreeks voor Q2, werd zevende in de Sprint en reed zondag naar de zesde plaats. Daarmee bleef hij verschillende Ducati’s, KTM’s en Aprilia’s voor. Ook in Mugello en op de Sachsenring pakte hij punten, terwijl hij in Brno vanaf de zesde startplaats zelfs even in de voorste groep opdook.

Natuurlijk gaat nog niet alles goed. In Brno duurde zijn avontuur vooraan slechts enkele bochten en ook in de kwalificaties betaalt hij soms leergeld. Toch combineert Moreira snelheid met een opvallend rustige aanpak. Hij probeert niet koste wat kost te bewijzen dat hij in de MotoGP thuishoort – en bewijst het daardoor juist.

Moreira staat vijftiende in het kampioenschap en heeft bijna tweemaal zoveel punten als fabrieksrijder Mir. Honda heeft in een teleurstellend seizoen niet veel te vieren, maar de komst van de 21-jarige Braziliaan is zonder twijfel een voltreffer. De beste rookie van de eerste seizoenshelft rijdt bovendien op een van de moeilijkste motoren van het veld.

3. Grootste tegenvaller – Pecco Bagnaia

Nog niet zo lang geleden was Pecco Bagnaia de dominante factor in de MotoGP. Hij bezorgde Ducati in 2022 de langverwachte wereldtitel, prolongeerde die in 2023 en was ook in 2024 over een volledige Grand Prix doorgaans de betere rijder.

Bagnaia won in 2024 elf Grands Prix, tegenover slechts drie voor Jorge Martín. Toch ging de wereldtitel naar de Spanjaard. Bagnaia verspeelde te veel punten door crashes en nulresultaten, met name tijdens de Sprints. Zijn pure snelheid stond zelden ter discussie, maar Martín was over het volledige seizoen constanter.

In 2025 was van die dominante Bagnaia weinig meer over. Terwijl Marc Márquez aan de andere kant van de pitbox de zeges aaneenreeg en overtuigend wereldkampioen werd, worstelde Bagnaia met zijn vertrouwen en de Ducati. De rijder die jarenlang vrijwel ieder weekend voor de overwinning vocht, was plotseling nog maar een schim van zichzelf.

De verwachting was dat hij zich in 2026 zou herpakken. De wintertests boden voldoende aanknopingspunten en met zijn ervaring op de Desmosedici moest Bagnaia opnieuw een rol in de titelstrijd kunnen spelen. Na elf Grands Prix staat hij echter achtste met 143 punten en heeft hij nog altijd geen enkele overwinning op zondag geboekt.

Sinds de openingsrace in Thailand klaagt Bagnaia over hetzelfde probleem: hij mist vertrouwen en kan de Ducati niet laten doen wat hij wil. Vooral bij het insturen en loslaten van de rem ontbreekt het gevoel waarmee hij vroeger het verschil maakte. Goede trainingen worden gevolgd door tegenvallende kwalificaties en op zondag moet hij te vaak aan schadebeperking doen.

Er waren lichtpuntjes. In Brno won Bagnaia de Sprint en stond hij een dag later opnieuw op het podium. Ook op de Sachsenring vocht hij tot de finish met Martín. Voor een rijder die ooit de maatstaf in de MotoGP was, zijn incidentele podiumplaatsen echter niet voldoende.

De vergelijking met de andere Ducati-rijders maakt het beeld nog pijnlijker. Márquez won drie Grands Prix op rij, Fabio Di Giannantonio staat vijfde in het kampioenschap en zelfs de door blessures afgeremde Álex Márquez heeft al een overwinning op zak.

Bagnaia staat 65 punten achter Martín en moet zeven rijders voorbij. Dat inmiddels vaststaat dat hij Ducati na dit seizoen verruilt voor Aprilia, geeft zijn moeizame campagne extra lading. De vraag is allang niet meer wanneer de oude Bagnaia terugkeert, maar of we die Bagnaia op een Ducati überhaupt nog gaan terugzien.

4. Grootste pechvogel – Álex Márquez

Álex Márquez begon 2026 als nummer twee van het voorgaande kampioenschap en bewees in Jerez dat die prestatie geen toeval was. Op het circuit waar hij een jaar eerder zijn eerste Grand Prix had gewonnen, reed hij opnieuw een vrijwel foutloze race. Hij hield Marco Bezzecchi achter zich en won voor het tweede jaar op rij voor eigen publiek.

Daarmee leek Márquez opnieuw klaar om zich tussen de titelkandidaten te mengen. Drie weken later ging het in Catalonië gruwelijk mis. Márquez reed op de tweede plaats toen de KTM van leider Pedro Acosta door een technisch probleem plotseling vertraagde. Een botsing was niet meer te voorkomen, waarna de Gresini-coureur op hoge snelheid door het gras schoot en zwaar ten val kwam.

Hij brak zijn rechter sleutelbeen en liep bovendien een kleine breuk aan de zevende nekwervel op. Na een operatie moest Márquez de Grands Prix van Italië en Hongarije missen. In Brno probeerde hij terug te keren, maar na de kwalificatie besloot hij dat doorrijden onverantwoord was.

Een week later beet hij in Assen wel door de pijn heen en finishte hij knap als vijfde. Op de Sachsenring leek de oude Álex weer helemaal terug. Hij werd tweede in de Sprint en kon in de Grand Prix aanvankelijk het tempo van broer Marc volgen. Een crash maakte echter voortijdig een einde aan zijn race en zorgde opnieuw voor een nulscore.

Met 87 punten staat Márquez negende, maar die klassering vertelt slechts een deel van het verhaal. Zijn overwinning in Jerez en snelheid in Duitsland laten zien dat hij zonder blessure waarschijnlijk veel hoger had gestaan. De eerste seizoenshelft leverde hem een prachtige zege op, maar nam hem vervolgens vrijwel iedere kans op een rol in de titelstrijd weer af.

5. Zwaarste domper – Johann Zarco

Ook Johann Zarco zag zijn seizoen in Catalonië abrupt veranderen. De Fransman begon degelijk en verzamelde tijdens de eerste zes weekenden 34 punten. Daarmee was hij opnieuw een belangrijke referentie voor Honda, ook al kon hij zijn sensationele overwinning in Le Mans van 2025 nog geen vervolg geven.

Bij de start van de Catalaanse Grand Prix maakte Zarco een fout in de eerste bocht. Hij nam Francesco Bagnaia en Luca Marini mee in zijn val en kwam zelf bijzonder ongelukkig terecht. De eerste berichten spraken vooral over een flinke schrik, maar nader onderzoek wees op beschadigde kniebanden en een kleine breuk onderaan zijn linker kuitbeen.

Zarco moest wachten tot de eerste zwelling was verdwenen voordat hij aan zijn knie kon worden geopereerd. Daardoor bleef het niet bij het missen van Mugello en Hongarije. Ook Brno, Assen, de Sachsenring en de eerste race na de zomerstop kwamen te vroeg. Zijn terugkeer wordt pas in september verwacht.

Alsof de lange revalidatie nog niet zuur genoeg is, wacht hem bij zijn comeback ook een dubbele Long Lap Penalty voor het veroorzaken van de crash in Barcelona. Zarco was zelf verantwoordelijk voor het incident, maar de gevolgen waren buitenproportioneel groot.

Voor Honda kwam zijn afwezigheid eveneens bijzonder ongelegen. Cal Crutchlow slaagde er als vervanger niet in punten te scoren, terwijl Zarco juist de rijder was die de RC213V de afgelopen seizoenen regelmatig boven zichzelf liet uitstijgen. Eén fout bij de start kostte hem uiteindelijk vrijwel de volledige eerste helft van het jaar.

6. Grootste verrassing – Trackhouse domineert Assen

Niet alleen Ai Ogura heeft alle verwachtingen overtroffen. Ook Trackhouse behoort zonder twijfel tot de grote verrassingen van de eerste seizoenshelft. Het Amerikaanse satellietteam staat met 353 punten tweede in het teamkampioenschap en houdt daarmee zelfs het fabrieksteam van Ducati achter zich.

Dat is een opmerkelijke prestatie voor een ploeg die pas aan haar derde MotoGP-seizoen bezig is. Dankzij de nauwe samenwerking met Aprilia beschikt Trackhouse over uitstekend materiaal, maar de manier waarop het team dat potentieel benut is minstens zo belangrijk. De communicatie met de fabriek is kort, de technische ondersteuning sterk en aan beide kanten van de pitbox worden grote resultaten geboekt.

Het absolute hoogtepunt kwam in Assen. In de Sprint bezette Trackhouse de eerste twee plaatsen, waarna het team dat kunststukje een dag later in omgekeerde volgorde herhaalde. Ogura boekte zijn eerste MotoGP-overwinning en werd daarmee de eerste Japanse winnaar in de koningsklasse sinds 2004. Voor Trackhouse betekende het twee dubbelzeges binnen 24 uur.

Op de Sachsenring volgde meteen de bevestiging dat Assen geen eenmalige uitschieter was. Ogura werd tweede en zijn teamgenoot derde, waardoor beide Trackhouse-rijders opnieuw samen op het podium stonden. Binnen twee weekenden veranderde de Amerikaanse ploeg van gevaarlijke outsider in een team waarmee de gevestigde fabrieksteams serieus rekening moeten houden.

Dat Trackhouse vóór Ducati Lenovo staat, zegt misschien nog wel het meest. Een jong satellietteam verslaat voorlopig een fabrieksteam met meerdere wereldkampioenschappen achter zijn naam.

Het aangekondigde vertrek van Ogura naar Yamaha maakt de prestatie bitterzoet. Trackhouse heeft hem de omgeving gegeven om uit te groeien tot titelkandidaat, maar ziet zijn grootste troef na dit seizoen vertrekken. Voorlopig telt alleen 2026 – en daarin presteert geen enkel satellietteam beter.

7. Bizarste moment – crashen en tóch winnen

De Sprint in Jerez leverde misschien wel het vreemdste MotoGP-verhaal van het jaar op. Marc Márquez ging onder verraderlijke omstandigheden onderuit, maar zijn Ducati bleef draaien. In plaats van de normale route te volgen, stak hij de baan over, reed hij door het gras en dook hij de pitstraat in – voorbij de gebruikelijke pitlane entry.

Daar wisselde Márquez van motor, keerde terug op de baan en reed alsnog naar de overwinning. Vrijwel direct ontstond discussie over de manier waarop hij de pitstraat had bereikt. Mocht een rijder zomaar de baan oversteken, via het gras rijden en voorbij de officiële ingang de pitstraat binnenkomen?

Op het eerste gezicht leek een straf onvermijdelijk. Bij nadere bestudering bleek het reglement echter verrassend specifiek – en tegelijkertijd onvolledig. Daarin stond duidelijk dat bij de ingang van de pitstraat de witte lijn aan de linkerkant niet mocht worden overschreden. Over de witte lijn aan de rechterkant stond niets vermeld.

En laat dat nu precies de lijn zijn die Márquez had overschreden.

Omdat het reglement die manoeuvre niet verbood, kon de wedstrijdleiding hem er ook niet voor bestraffen. Márquez had de pitstraat op een volstrekt ongebruikelijke manier bereikt, maar technisch gezien geen regel overtreden. Het resultaat bleef daardoor staan.

Zo crashte Márquez, stak hij de baan over, reed hij via het gras de pitstraat in, wisselde hij van motor en won hij alsnog de Sprint. Het was een combinatie van razendsnel improviseren en het reglement tot op de letter benutten. Niet alleen een van de slimste acties van de eerste seizoenshelft, maar zonder twijfel ook de meest bizarre.

Alles ligt nog open

De eerste helft van 2026 leverde winnaars op die vooraf nauwelijks werden genoemd en verliezers van wie juist heel veel werd verwacht. Ogura en Moreira reden zichzelf definitief in de kijker, terwijl Trackhouse zich tussen de grote fabrieksteams nestelde.

Voor Álex Márquez en Zarco draaide een veelbelovende campagne uit op een lange revalidatie. Marc Márquez liet ondertussen zien dat zelfs een crash niet altijd voldoende is om hem van de overwinning af te houden.

Daarmee zit ons drieluik erop. De tussenbalans is opgemaakt, maar definitieve conclusies kunnen nog niet worden getrokken. Met elf Grands Prix te gaan, vijf titelkandidaten binnen 24 punten en twee Italiaanse fabrikanten op slechts elf punten van elkaar kan de tweede helft van 2026 werkelijk alle kanten op.

Door:

Motorfreaks

Deel
Ai Ogura
Álex Márquez
beste MotoGP-rookie
Diogo Moreira
Ducati Lenovo Team
Gresini Racing
Johann Zarco
LCR Honda
Marc Márquez
MotoGP
MotoGP 2026
MotoGP-analyse
MotoGP-zomerstop
motorsport
Pecco Bagnaia
Raúl Fernández
Toprak Razgatlioglu
Trackhouse MotoGP

Gallery