Jorge Martín leidt zonder te domineren, Ai Ogura is plotseling titelkandidaat en Marc Márquez heeft na een nieuwe operatie de jacht volledig geopend. Halverwege het seizoen ligt de strijd om de MotoGP-titel volledig open.
Ducati leek opnieuw de maatstaf
Voor de start van het seizoen leek het plaatje eigenlijk vrij duidelijk. Ducati zou ook het laatste jaar van het 1000cc-tijdperk de dienst gaan uitmaken. Marc Márquez begon als regerend wereldkampioen, Pecco Bagnaia wilde revanche en tijdens de wintertest in Sepang stonden vijf Ducati’s in de top zes.
Alleen Marco Bezzecchi wist namens Aprilia tussen het rode geweld te komen. Geen verrassing, want de Italiaan had 2025 afgesloten met overwinningen in Portugal en Valencia en leek de RS-GP volledig naar zijn hand te hebben gezet.
Dat uitgerekend Jorge Martín halverwege 2026 het kampioenschap zou leiden? Daar hield bijna niemand serieus rekening mee. De wereldkampioen van 2024 kwam uit een dramatisch eerste Aprilia-jaar, waarin blessures, comebacks en nieuwe tegenslagen elkaar voortdurend opvolgden. Ook zijn wintervoorbereiding verliep beroerd. Door herstel van blessures aan zijn pols en schouder moest hij de volledige Sepang-test overslaan.
Toch staat Martín na elf Grands Prix bovenaan met 208 punten. Ai Ogura volgt op veertien punten, Marc Márquez op achttien. Bezzecchi staat vierde op 22 punten en Fabio Di Giannantonio vijfde op 24.
Vijf rijders binnen 24 punten. Zo spannend was het na elf races nog nooit in het moderne MotoGP-tijdperk.
1. Jorge Martín – sterke start, momentum verdwenen

Dat Martín überhaupt zo vroeg in het seizoen vooraan meedeed, was al verrassend. Na zijn dramatische 2025 en gemiste wintertest in Sepang werd vooral verwacht dat hij tijd nodig zou hebben om de Aprilia te doorgronden.
In plaats daarvan werd hij bij de openingsrace in Thailand meteen vierde. In Brazilië volgden twee podiumplaatsen: derde in de sprint en tweede in de Grand Prix. Een week later won hij de sprint in Austin en eindigde hij op zondag opnieuw als tweede.
Na drie raceweekenden stond Martín al tweede in het kampioenschap, op slechts vier punten van de oppermachtige Bezzecchi. Zonder de RS-GP volledig te begrijpen, was hij dankzij zijn snelheid en regelmaat direct titelkandidaat.
Op Le Mans volgde zijn voorlopig beste weekend. Martín won zowel de sprint als de Grand Prix en bezorgde Aprilia de eerste zege van zijn nieuwe periode bij het merk. Sindsdien is het momentum echter verdwenen.

Tijdens de laatste vier weekenden verzamelde hij slechts 52 van de mogelijke 148 punten. Márquez scoorde in dezelfde periode 119 punten en Ogura 102. Dat Martín nog altijd bovenaan staat, komt mede doordat zijn concurrenten nog grotere fouten maakten of door blessures werden teruggeworpen.
Zelf bleef hij evenmin foutloos. In Hongarije verloor hij bij het aanremmen van de eerste bocht de controle over zijn Aprilia. In de daaropvolgende kettingreactie gingen ook Bezzecchi, Raúl Fernández, Fermín Aldeguer en Di Giannantonio onderuit. Alleen laatstgenoemde kon verder en vocht zich nog terug naar de tiende plaats. Martín kreeg voor het veroorzaken van de crash een dubbele long-lappenalty.
Ook de volledige klik met de RS-GP ontbreekt nog. Op de Sachsenring kon hij de Trackhouse-Aprilia’s van Ogura en Fernández niet volgen en klaagde hij over een motor die niet wilde insturen. Na zijn vijfde plaats erkende hij dat de andere Aprilia-rijders momenteel meer uit de motor kunnen halen.
Martíns eerste seizoenshelft kent daardoor twee gezichten. Hij begon veel sterker dan vrijwel iedereen had verwacht en bewees direct dat hij ook op de Aprilia voor podiumplaatsen en overwinningen kan vechten. Richting de zomerstop verloor hij echter snelheid en vertrouwen.
“Als ik doorga met races zoals deze, zal ik niet lang aan de leiding blijven”, waarschuwde hij in Duitsland.
Martín leidt het kampioenschap dus niet uitsluitend door pech bij anderen. Hij legde de basis met een bijzonder sterke openingsfase. Maar om Márquez en Ogura achter zich te houden, moet hij na de zomer terug naar het niveau waarmee hij aan 2026 begon.
2. Ai Ogura – 194 punten: bandenfluisteraar wordt titelkandidaat

Ai Ogura is dé verrassing van de eerste seizoenshelft. De Moto2-wereldkampioen van 2024 kreeg al snel de bijnaam ‘bandenfluisteraar’. De Japanner weet zijn bandenslijtage uitzonderlijk goed te managen en is daardoor in de slotfase van een Grand Prix steevast een van de snelste rijders op de baan.
Dat was al vroeg in het seizoen zichtbaar. Ogura beschikte over voldoende racepace om naar voren te komen, maar begon daar vaak te laat mee. Zijn grote probleem zat niet in de lange runs, maar in de time-attack. In de laatste minuten van de Practice en tijdens de kwalificatie kreeg hij onvoldoende snelheid uit een nieuwe set banden. Daardoor moest hij regelmatig vanuit de middenmoot starten en verloor hij in de openingsfase te veel tijd achter andere rijders.
In Austin leek zijn eerste podium binnen bereik, totdat een technisch probleem een einde maakte aan zijn opmars. Op Le Mans kwam alles voor het eerst wel samen. Vanaf de derde startrij rukte Ogura dankzij zijn bekende sterke slotfase op naar de derde plaats. Het betekende zijn eerste MotoGP-podium, maar zelf bleef hij kritisch: de kwalificatie en de eerste ronden waren nog altijd zijn zwakke punten.

Sinds Ogura ook zijn time-attack beter voor elkaar heeft, is hij niet meer afhankelijk van een lange inhaalrace. In Brno zette hij een nieuw ronderecord neer, pakte hij zijn eerste MotoGP-pole en werd hij tweede in de Grand Prix.
Een week later volgde in Assen zijn definitieve doorbraak. Ogura zakte in de openingsfase even terug, maar bleef kalm en spaarde zijn banden. In de tweede helft van de race reed hij het gat naar de kop dicht en verschalkte hij Martín en teamgenoot Raúl Fernández. Zijn eerste MotoGP-zege was een feit, terwijl Trackhouse dankzij Fernández ook nog eens een historische één-twee boekte.
Op de Sachsenring werd Ogura opnieuw tweede. Tijdens de laatste vier raceweekenden verzamelde hij 102 punten en klom hij naar de tweede plaats in het kampioenschap, op slechts veertien punten van Martín.
Ogura’s bandenmanagement was vanaf het begin al van topniveau. Nu hij niet meer iedere zondag vanuit het middenveld hoeft te komen, wordt zijn volledige potentieel zichtbaar. De enige onbekende is hoe hij omgaat met de druk van een titelstrijd.
De bandenfluisteraar is geen outsider meer. Hij is titelkandidaat.
3. Marc Márquez – 190 punten: van kansloos naar topfavoriet

Marc Márquez begon 2026 als de vanzelfsprekende favoriet, maar kon die status in de eerste maanden nauwelijks waarmaken. Er waren korte oplevingen, zoals zijn sprintzege in Brazilië, maar ook crashes, wisselende resultaten en vooral een fysiek probleem waarvoor hij zelf lange tijd geen verklaring had.
Op onverwachte momenten verloor Márquez kracht en gevoel in zijn rechterarm. Het ene moment kon hij de Ducati op de limiet zetten, een fractie later werkte zijn schouder niet meer mee. Aanvankelijk dacht hij dat het probleem mentaal was. Misschien blokkeerde hij onbewust of durfde hij zijn natuurlijke rijstijl niet meer te gebruiken.
Na de Spaanse Grand Prix, waarin hij opnieuw crashte, liet Márquez zijn schouder uitgebreid onderzoeken. Daarbij kwam de echte oorzaak aan het licht. Twee schroeven en een los botfragment van een Latarjet-operatie uit december 2019 waren verschoven en drukten in bepaalde MotoGP-rijhoudingen tegen de radiale zenuw.
Daardoor kon zijn arm gedurende enkele milliseconden letterlijk uitvallen. Op een snelle kwalificatieronde viel dat soms nog te maskeren, maar over een volledige race niet. Márquez omschreef de situatie zelf als rijden met “anderhalve arm”.

Een operatie stond gepland voor na de Catalaanse Grand Prix, maar op Le Mans ging het opnieuw mis. Tijdens de sprint vloog Márquez hard van zijn Ducati en brak hij ook het vijfde middenvoetsbeentje van zijn rechtervoet. De crash werd niet uitsluitend aan zijn schouder toegeschreven, maar versnelde de medische ingreep wel.
Een dag later werd Márquez in Madrid tweemaal geopereerd. Zijn voet werd gestabiliseerd en de schroeven en het botfragment bij de zenuw werden verwijderd. Hij miste de hoofdrace op Le Mans en het volledige weekend in Catalonië.
Op Mugello stond hij alweer aan de start, maar met een zevende plaats kon hij nog geen hoofdrol spelen. Na dat weekend bedroeg zijn achterstand op toenmalig WK-leider Bezzecchi liefst 102 punten. De titelstrijd leek voorbij voordat de helft van het seizoen was bereikt.
Vanaf Hongarije veranderde alles. Márquez profiteerde optimaal van de startcrash van Martín en boekte zijn honderdste Grand Prix-overwinning. Daarna won hij ook in Brno. Assen vormde een korte onderbreking, maar op de Sachsenring volgde een perfect weekend: poleposition, sprintzege, snelste ronde en winst op zondag.
In vier weekenden verzamelde Márquez 119 punten en maakte hij 84 punten goed op de koppositie. Zijn achterstand bedraagt nog slechts achttien punten.
De schouder is nog niet volledig hersteld, maar voor het eerst dit jaar kan Márquez weer rijden zoals hij wil. Als hij tijdens de zomerstop opnieuw een fysieke stap zet, is hij niet alleen terug in de titelstrijd.
Dan is hij de favoriet.
4. Marco Bezzecchi – 186 punten: van alleenheerser naar achtervolger

Waar Márquez moeizaam aan het seizoen begon, schoot Marco Bezzecchi juist uit de startblokken. De Italiaan had de laatste twee Grands Prix van 2025 al gewonnen en trok die vorm moeiteloos door naar het nieuwe jaar.
In Thailand, Brazilië en Austin stond er op zondag geen maat op hem. Bezzecchi won de eerste drie Grands Prix en maakte daarmee zijn reeks van opeenvolgende zondagse overwinningen zelfs vijf races lang.
Op zaterdag verliep het een stuk minder soepel. Bezzecchi crashte regelmatig in de sprint en liet daardoor kostbare punten liggen. Maar zodra de langere Grand Prix begon, was hij snel, constant en vrijwel onaantastbaar.
In Jerez eindigde zijn zegereeks, maar met een tweede plaats bleef de schade beperkt. Ook op Le Mans werd hij tweede. Op Mugello volgde vervolgens de ideale reactie: poleposition, een nieuw ronderecord en winst voor eigen publiek, uitgerekend in de achtertuin van Ducati.
Na zeven raceweekenden stond Bezzecchi zeventien punten voor op Martín, 81 voor op Ogura en liefst 102 voor op Márquez. Alles wees op een titelstrijd tussen de twee fabrieks-Aprilia’s, met Bezzecchi als duidelijke favoriet.
Vervolgens ging het in vier weekenden volledig mis.

In Hongarije werd hij in de eerste bocht meegenomen door teamgenoot Martín. Bezzecchi was onschuldig aan de crash, maar vertrok wel met nul punten en de nodige fysieke klachten naar Brno.
Daar crashte hij opnieuw in de sprint. Uit frustratie sloeg hij bij de berging van zijn motor een baancommissaris, waarna de stewards hem voor de Grand Prix schorsten. Bezzecchi bood later zijn excuses aan, maar zag opnieuw een volledige zondagse puntenoogst verdwijnen.
In Assen volgde een zware crash op hoge snelheid en moest hij voor controle naar het ziekenhuis. Twee weken later was hij op de Sachsenring nog altijd niet volledig hersteld. Tijdens de kwalificatie ging het opnieuw mis en brak hij zijn linkersleutelbeen, waarna een operatie noodzakelijk was.
Vier zondagen leverden nul punten op. Over de volledige vier raceweekenden verzamelde Bezzecchi slechts dertien van de mogelijke 148 punten. Zijn voorsprong van 102 punten op Márquez veranderde in een achterstand van vier.
Toch is zijn seizoen nog niet verloren. Bezzecchi staat slechts 22 punten achter Martín en heeft als enige rijder al vier Grands Prix gewonnen.
De snelheid is er. De vraag is of zijn lichaam en hoofd na de zomer opnieuw klaar zijn om die snelheid te benutten.
5. Fabio Di Giannantonio – 184 punten: stilletjes volop in de titelstrijd

Fabio Di Giannantonio is de minst besproken rijder van de top vijf, maar misschien wel de meest constante.
De VR46-coureur liet al vroeg zien dat hij dit seizoen over meer dan incidentele snelheid beschikt. In Brazilië pakte hij poleposition en stond hij zowel in de sprint als de Grand Prix op het podium. Ook in Austin begon hij vanaf pole en finishte hij op zondag als vierde. In Jerez volgde opnieuw een podiumplaats.
Di Giannantonio won niet meteen, maar stond vrijwel ieder weekend vooraan. Waar andere titelkandidaten afwisselend domineerden en crashten, bleef hij punten verzamelen.
Zijn beloning kwam in Catalonië, tijdens een van de meest chaotische races van de afgelopen jaren. Twee rode vlaggen, drie starts en een reeks zware incidenten maakten van de Grand Prix een afvalrace. Di Giannantonio hield het hoofd koel, passeerde Pedro Acosta in de slotfase en boekte zijn eerste MotoGP-overwinning sinds Qatar 2023.

Ook daarna bleef hij scoren. In Hongarije werd hij in de eerste bocht meegesleurd in de crash van Martín, maar waar de meeste betrokken rijders meteen klaar waren, kon Di Giannantonio verder. Vanaf de achterkant vocht hij zich nog terug naar de tiende plaats.
Dat typeert zijn eerste seizoenshelft. Niet ieder weekend de snelste, maar zelden bereid om een verloren situatie zomaar op te geven.
Tot de Sachsenring had Di Giannantonio als enige titelkandidaat in iedere Grand Prix punten gescoord. Juist in Duitsland ging het voor het eerst echt mis. Hij crashte terwijl hij opnieuw over podiumtempo beschikte en verspeelde daarmee een kans om als WK-leider de zomerstop in te gaan.
Toch staat hij met 184 punten slechts 24 punten achter Martín. Eén perfect weekend is voldoende om de volledige rangorde om te gooien.
Di Giannantonio heeft misschien niet de pure snelheid van Márquez, de dominante zeges van Bezzecchi of het bandenmanagement van Ogura. Zijn kracht is dat hij bijna altijd iets uit een weekend weet mee te nemen.
In een kampioenschap waarin iedereen fouten maakt, kan juist die regelmaat uiteindelijk het verschil maken.
Vijf rijders, nog elf Grands Prix
De stand zegt Martín, de vorm zegt Márquez en de verrassingsfactor wijst naar Ogura. Bezzecchi heeft de meeste Grands Prix gewonnen, terwijl Di Giannantonio op de achtergrond blijft scoren.
Er zijn nog elf Grands Prix en maximaal 407 punten te verdienen. Op dit moment lijkt Márquez de te kloppen man, maar stellige voorspellingen zijn dit seizoen weinig waard gebleken.
Na elf races staan vijf rijders binnen 24 punten. De tweede helft kan beginnen.